Joke Schauvliege en Bart Tommelein rekenen op vereende krachten

“Vlaanderen is géén achterblijver in klimaat”

Plots leek het de politiek menens met het klimaat. Het Vlaams Parlement keurde in november de klimaatresolutie kamerbreed goed en in december presenteerde de regering op de Vlaamse Klimaattop haar Klimaat- en Energiepact. Maar blijft de klimaatboog ook na een winter vol andere politieke prioriteiten gespannen? Mblad sprak met minister van Omgeving Joke Schauvliege en minister van Energie Bart Tommelein en maakte een tussenbalans op. “Na 2020 wordt het moeilijk.”  

Een doorbraak in het Vlaamse klimaatbeleid. Zo werd de breed politiek gedragen Klimaatresolutie genoemd waarin het Vlaams Parlement de regering aanzette tot een ambitieuzer klimaatbeleid. En het kon niet op, want op de Klimaat- en Energietop van 1 december 2016 onderstreepte de voltallige Vlaamse Regering, schouder aan schouder met het bedrijfsleven, met een Klimaat- en Energiepact boordevol engagementen, dat het haar menens is met het klimaat. Voeg daarbij het Vlaamse Klimaatbeleidsplan en je zou denken dat we qua klimaatbeleid in Vlaanderen wel gebeiteld zitten.

Vlaanderen beschikt intussen over een korf aan klimaatinitiatieven. Zijn die allemaal naast elkaar nodig? 

Joke Schauvliege: “De engagementen die naar de doelstellingen voor 2020 toewerken, lopen al veel langer en worden volop in uitvoering gebracht, in lijn met het Vlaams Klimaatbeleidsplan. Maar in Parijs hebben de wereldleiders afgesproken om de globale temperatuurstijging te beperken tot ver onder 2°C ten opzichte van het pre-industriële niveau, en inspanningen te doen om de stijging te beperken tot 1,5°C ten opzichte van dat niveau. Die engagementen hebben betrekking op de periode na 2020. Daarom sloten we het Vlaams Energie- en Klimaatpact, dat eigenlijk een aanvulling is op het Klimaatbeleidsplan en tegelijk nodig was om onze uitgangspositie voor 2030 te verstevigen.” “Het is duidelijk dat er een transitie nodig is in alle sectoren en alle geledingen van de maatschappij om die doelstellingen te kunnen halen. Met het Pact wilden we de noodzaak van die transitie in de verf zetten en het goede voorbeeld geven aan de bevolking. Het parlement heeft intussen heel wat van onze engagementen goedgekeurd en de regering heeft ook al middelen vrijgemaakt. Zo investeren we bijvoorbeeld 80 miljoen euro in grondige renovatiepremies voor de sociale huisvestingsmaatschappijen, 50 miljoen euro in de energie-efficiëntie van het gebouwenportfolio van de Vlaamse overheid, en 43 miljoen euro in de infrastructuur van het onderwijs.”

Bart Tommelein: “Het Klimaat- en Energiepact wil de hele samenleving bij de klimaatuitdaging betrekken: niet alleen politici, maar ook de bedrijven en de gewone burger. Te lang ontbrak het aan een sense of urgency. Met het Vlaams Klimaat- en Energiepact wilden we vooral duidelijk maken dat iedereen zijn verantwoordelijkheid moet opnemen. Op de Klimaattop formuleerden 250 bedrijven hun klimaatengagement. De Klimaatresolutie is goedgekeurd door het voltallige Vlaams Parlement. Dat bewijst dat alle Vlaamse politici er het belang van inzien.”

De essentie blijft natuurlijk wel dat we de doelstellingen moeten halen. Is dat nog haalbaar? 

Joke Schauvliege

“Met de doelstellingen na 2020 krijgen we het
moeilijk. De evidente maatregelen zijn genomen, iedereen moet nu serieuze inspanningen leveren”
JOKE SCHAUVLIEGE, MINISTER VAN OMGEVING

Schauvliege: “Tot nu toe hebben we de internationale CO2-reductiedoelstellingen telkens gehaald en ook tegen 2020 zal dat lukken. Maar met de doelstellingen erna krijgen we het moeilijk. Daarom proberen we ons goed voor te bereiden op de periode na 2020. Dat was het eerste doel van de Vlaamse Klimaattop. Er is beslist een serieuze transitie nodig. De evidente maatregelen zijn genomen. Iedereen moet nu serieuze inspanningen leveren.”

Tommelein: “Qua hernieuwbare energie heeft Vlaanderen in het verleden gekozen voor een gemakkelijkheidsoplossing en ingezet op twee grote biomassacentrales. Langerlo maakte ook deel uit van het Energieplan dat ik vorige zomer presenteerde. Door omstandigheden zullen de biomassacentrales er niet komen. Om de doelstellingen te halen, zullen we dus andere inspanningen moeten leveren. De ambitieuze doelstellingen voor zon, wind en warmte zullen nog ambitieuzer worden. De gewijzigde situatie maakt dat ik zo snel mogelijk een nieuw energieplan zal voorstellen aan de regering.” “Ik heb in mijn eerste jaar als minister al een omschakeling naar zonne-energie gezien bij particulieren. Wat windenergie betreft is er nog werk aan de winkel. Samen met alle gouverneurs, deputaties, lokale besturen en de windenergiesector maken we momenteel werk van een windpact. Dat moet onder meer de hindernissen bij de realisatie van grote windprojecten wegmasseren.”

Als het op de klimaatverandering aankomt is 2020 eigenlijk al gisteren. Welke stappen hebben jullie vanuit jullie eigen beleid gezet om de Europese doelstelling van 40 procent minder CO2-uitstoot tegen 2030 te halen? 

Schauvliege: “Hoe we die doelstelling zullen realiseren, is nog volop onderwerp van Europese onderhandelingen. De maatregelen voor de energie-intensieve industrie – de ETS-maatregelen – worden op Europees niveau geregeld. Ik pleit hier voor een evenwichtige hervorming van het systeem om de CO2-prijs op te krikken, want die bedraagt nu 5 euro per ton CO2, terwijl dat eigenlijk tussen de 20 en 30 euro zou moeten zijn. Even belangrijk is dat onze Vlaamse industrie beschermd wordt tegen de risico’s van carbon leakage (het proces waarbij bedrijven, als gevolg van een stringente klimaatregelgeving, hun activiteiten verhuizen naar regio’s met een minder streng klimaatbeleid, red.). Voor wat betreft de verdeling tussen de lidstaten van de inspanningen voor de niet-ETS-sectoren ligt momenteel een evenwichtig pakket op tafel. Ik hoop dat die Effort Sharing Regulation snel wordt goedgekeurd.” “Daarop zullen we binnen Vlaanderen een verdeling opmaken binnen de sectoren. Als klimaatminister vind ik het enorm belangrijk dat er engagementen zijn in alle sectoren. Gebouwen en mobiliteit blijven belangrijke focussectoren, omdat we op die domeinen wel degelijk een grote achterstand moeten inhalen. Ons Vlaams gebouwenpatrimonium is ernstig verouderd en de emissies van transport blijven in heel Europa stijgen. Dus investeren we fors in energiebesparende renovaties en rollen we warmtenetten uit. Qua mobiliteit zorgen we voor kilometerheffingen en een vergroening van de fiscaliteit en zetten we in op de elektrificatie van ons personenvervoer.”

Tommelein: “Ik zet sterk in op de winsten die we kunnen boeken door een betere energie-efficiëntie. Elke kilowattuur energie die niet verbruikt wordt, moet ook niet worden geproduceerd en betaald. We zitten inderdaad met een aantal obstakels die we moeten wegwerken, zoals de slecht geïsoleerde verouderde huizen. We kiezen dus voor een aantal speerpunten die aanzetten tot energiebesparing en zoveel mogelijk hernieuwbare energie. Vroeger stelde het Energiedecreet dat 99 procent van de huizen aansluitbaar moet zijn op gas. Dat cijfer hebben we nu verlaagd, zodat er geen verplichting meer is om aardgas aan te leggen. Zo willen we warmtenetten meer kansen geven, daar moet het decreet Warmtenetten voor zorgen. We stimuleren warmtepompen en zonneboilers in de vorm van energiepremies, en we geven een premie voor elektrische voertuigen.” “Ik vertrouw erop dat het na 2020 allemaal sneller zal gaan: niet alleen door de bewustwording, ook doordat er nieuwe technologische systemen op de markt komen. De Vlaamse Regering investeert ook fors in innovatie. We ondersteunen en faciliteren heel wat ontwikkelingen en proefprojecten die nog niet winstgevend zijn, maar waar wel potentieel in zit.”

Bedrijven zijn de aanjagers van ontwikkeling en commercialisering van technologie. Maar veel bedrijven staan zelf voor een transitie: ze moeten hun productieproces of businessmodel omgooien. Hoe helpt de overheid hen daarbij? 

Bart Tommelein

“Wat windenergie betreft is er nog werk aan de winkel. Samen met alle gouverneurs, deputaties, lokale besturen en de windenergiesector werken we aan een windpact” BART TOMMELEIN, MINISTER VAN ENERGIE

Tommelein: “De bedrijfswereld heeft een cruciale sleutel in handen. Daarom spreek ik grote bedrijven steeds meer rechtstreeks aan. In alle sectoren. Zo sprak ik onlangs met de CEO van Plopsaland: ik vind dat pretparken heel veel kunnen doen om hun energie-efficiëntie te verbeteren en om te investeren in hernieuwbare energie. Ze hebben immers een groot verbruik overdag, dus het is voor hen interessant om zonnepanelen aan te leggen. Ik merk dat veel bedrijven gemotiveerd zijn om inspanningen te doen. Niet alleen omdat het goed is voor hun imago, maar ook omdat investeren in hernieuwbare energie en in maatregelen om minder CO2 uit te stoten heel vaak kostenbesparend is.” “We willen niet alleen de grote bedrijven responsabiliseren. Ook veel zelfstandigen en kmo’s zijn bereid zich te engageren. Alleen hebben zij vaak niet de middelen, het personeel en de kennis in huis. Samen met collega Philippe Muyters, minister van Economie en Innovatie, heb ik 20 miljoen euro uitgetrokken voor een esco-fonds. De essentie is eenvoudig: het esco-bedrijf (Energy Service Company) voert een energieproject in een bedrijf uit, en financiert die investering ook zelf. Door die investering daalt het energieverbruik, en daardoor ook de energiefactuur. Met een deel van de besparing betaalt het bedrijf de nieuwe installatie af. Nadat de installatie is afbetaald wordt het bedrijf volledig eigenaar van de installatie en geniet het verder van de energiebesparing en de lagere energiefactuur. Het esco-fonds is bedoeld om energieprojecten te financieren en uit te voeren in ondernemingen. Op die manier willen we heel wat kleinere ondernemingen energie-efficiënter maken zonder dat ze eerst een hoop risico’s moeten nemen of geld op tafel moeten leggen. We investeren dus in steunmaatregelen. Maar stellen dat de overheid eerst over de brug moet komen en we daarna wel eens zullen zien wat de bedrijven kunnen doen, vind ik verkeerd.”

Schauvliege: “Recent ontwikkelden we een nieuw instrument om bedrijven en sectoren versneld te vergroenen: de Green Deal. Dat is een vrijwillig contract tussen de Vlaamse overheid en een aantal grote spelers uit een bepaalde sector rond een groen project. Met die deal geven we de bedrijven de ruimte om vernieuwend en innovatief te werken. Als een bedrijf een nieuw procedé wil uittesten om minder CO2 uit te stoten, botst het vaak op regelgeving. In het kader van de Green Deal engageert de overheid zich om knelpunten die de vergroening belemmeren, aan te pakken. Het gaat dus niet om financiële ondersteuning; de Green Deal speelt in op de vraag naar ontzorging. Een eerste Green Deal is gesloten rond het thema Gedeelde Mobiliteit. Tegen 2020 willen we het aantal autodelers, carpoolers en fietsdelers de hoogte injagen. Er zijn concrete streefcijfers afgesproken. Bijna 80 partners zijn op de kar gesprongen.”

Om de CO2-balans in orde te krijgen ziet Europa soelaas in koolstofopslag in bossen en bodems. Maar in Vlaanderen lijkt het wel alsof er alleen maar bossen verdwijnen. 

Schauvliege: “Hoewel het vaak anders wordt voorgesteld, zetten we ook in op de bescherming van waardevolle bossen en op bosuitbreiding. We ondersteunen heel wat bosbouwprojecten. Maar dat is geen evidente oefening. Voor bosuitbreiding heb je ruimte nodig en die is in Vlaanderen heel beperkt. Dat is een knelpunt: er is weinig ruimte voorhanden en velen vinden dat ze recht hebben op de grond. Het is een moeilijke oefening, maar wel één waarvoor we heel wat aandacht hebben. Zo hebben we recent binnen de Vlaamse Regering een historisch akkoord bereikt om 12.262 hectare zonevreemde bossen te beschermen. En we hebben recent de graslanden beschermd, die heel wat CO2 uit de lucht kunnen halen.”

Is het met de ruimtelijke ordening die we in Vlaanderen kennen eigenlijk nog mogelijk om het tij te keren? Hypothekeert dit ons niet om ooit nog klimaatvriendelijk te wonen en ons te verplaatsen? 

Tommelein en SchauvliegeSchauvliege: “De huidige ruimtelijke ordening ziet er inderdaad niet fraai uit. Net daarom keurde de Vlaamse Regering op mijn initiatief vorig jaar het witboek Beleidsplan Ruimte Vlaanderen goed. Op lange termijn zal er een belangrijk effect zijn van de nieuwe ruimtelijke ordening, die daaruit zal volgen. Zo zal een gevolg van het Beleidsplan bijvoorbeeld zijn dat wonen en werken zich dichter bij collectieve vervoersknooppunten en voorzieningen zullen afspelen. Mobiliteitsbeheersing en energiezuinigheid zullen leiden tot een lagere CO2-uitstoot.”

Tommelein: “De beperkte oppervlakte en de ruimtelijke ordening in Vlaanderen zijn vaak een probleem bij het maken van beslissingen. We hebben gewoon weinig plaats en het is hier dichtbevolkt. Als je een windmolen plaatst, staat die altijd in iemands buurt. Dat probleem heb je in Frankrijk of Duitsland veel minder.”

Schauvliege: “Tegelijk zet die beperkte oppervlakte aan tot creativiteit. Daardoor hebben we in Vlaanderen ook al zoveel expertise in huis. Op het vlak van circulaire economie en afvalverwerking bijvoorbeeld zijn we wereldwijd koploper. En heel wat technologieën die hier ontwikkeld zijn, worden wereldwijd verder gecommercialiseerd. Buitenlandse steden komen in Vlaanderen kijken hoe wij op een beperkte oppervlakte de uitdagingen aanpakken. We doen onszelf te vaak voor als de slechte leerling in Europa, we moeten onze troeven veel vaker uitdragen.”

Al bij al brengen jullie een bijzonder positief verhaal. Maar ziet de toekomst er echt zo rooskleurig uit? 

Schauvliege: “Heel lang hebben we in de publieke opinie een negatief verhaal gehoord. Er werd voortdurend geroepen en geschreven dat we het niet zullen halen. Ik vind dat een foute ingesteldheid. We kunnen en moeten het halen en het zal lukken als we er allemaal samen onze schouders onder zetten. Het is niet enkel de verantwoordelijkheid van de overheid of de grote bedrijven, maar die van de hele maatschappij.”

Tommelein: “We willen iedereen ervan overtuigen dat we het allemaal samen moeten doen. Betrokkenheid van burgers is daarbij cruciaal. Daarom ook dat ik geloof in participatiemodellen. Door burgers mee te laten participeren in bijvoorbeeld windenergieprojecten en door hen eraan te laten verdienen, zal de weerstand verminderen. Dat is cruciaal. Ook bij zonne-energieprojecten zijn er veel mogelijkheden om burgers mee te laten investeren. Zo kunnen mensen die zelf geen plaats hebben voor zonnepanelen, toch een graantje meepikken van de hernieuwbare energie. Dan zien ze dat het niet enkel geld kost, maar ook opportuniteiten schept.”

 

Dit artikel verscheen in Mblad, mei 2017.